13-12-94
De jongen en de non.
Boven op de berg aangekomen moest de jongen even uitrusten. Hij gooide de rugzak van zijn bezwete lichaam af, en keek om zich heen. Een non van meer dan middelbare leeftijd zat op een steen, een boterham te eten. De non kwam ietwat onwerkelijk over op de jongen. Ze zag er weliswaar uit als een non. Maar de professionele berguitrusting contrasteerde sterk met de klassieke kleding van de non. Naast haar lag een rugzakje, een skistok en een spiegelende zonnebril. Onder haar habijt zag hij nog net een paar leren bergschoenen.
Blijkbaar had hij nogal staan staren, want de non keek hem nu recht aan en zei vriendelijk: ,Goedendag’.
,Dag mevrouw’, antwoordde de jongen beduusd.
De vrouw keek eens ernstig naar de hemel en vroeg toen aan de jongen of hij wist hoe het weer zich zou ontwikkelen. Ze had gehoord over onweer en dan wilde ze liever beneden zijn. De jongen ging in de buurt van de vrouw zitten en al spoedig praatten de twee over van alles en nog wat.
De jongen merkte niet dat na verloop van tijd alleen hij aan het woord was. De non keek hem aan of nam een hap van haar brood. Soms keek zij even in haar schoot, alsof ze de woorden even moest verwerken. De jongen praatte ondertussen verder. Hijzelf geloofde niet in iets goddelijks. Dat een God zo’n berg kon maken vond hij ontzettend onwaarschijnlijk. Zelfs dat Hij er maar een beetje invloed op kon hebben leek hem al sterk. Dingen als leven en dood, goed of kwaad, waren volgens hem zo complex dat zij niet bedacht konden zijn door een willekeurige God of hoe je dat ook wilt noemen. Vaak ook omdat ze niet logisch waren, maar puur willekeurig. Er vanuit gaand dat er Iemand is die alles willekeurig uitvoert met een specifieke reden leek hem toch wel erg sterk. Nee, als je er vanuit ging dat niet God alles heeft verzonnen maar dat God verzonnen is, dan werd voor hem alles duidelijker. Dan was geloof ook geen geloof meer, maar de navolging van moralen van oude vertellers. Deze intelligente verhalen bij elkaar vormden een boek zo mooi en zo ver gezocht dat het wel waar moest zijn. Het enige waar deze vertellers in hun onschuld niet aan dachten is dat, als iets vele malen door de menselijke hersens gekopieerd wordt, het verhaal verandert. Hierdoor worden goed bedoelde woorden omgezet, naar gelang de verteller dat uitkomt. Zo worden brute moorden legaal, natuurrampen verklaard en leven vele mensen gerustgesteld, want alles ligt immers in Gods hand. Maar volgens mij is dat nooit de bedoeling geweest van de Bijbel, hoe het ook ontstaan is. Die wilt toch dat de mensen eerst goed nadenken en naar een zo algemeen mogelijke oplossing zoeken voor iedereen, van welke “geloofsovertuiging” dan ook.
Hij besefte nu weer tegen wie hij praatte en hoopte dat zij niet gekwetst was. Zij glimlachte alleen en stond op. Keek weer naar boven en zei: ,Het wordt tijd om te gaan, vind je niet?’. Ze pakte haar stok, deed het rugzakje om haar schouders, zette haar zonnebril op en liep langs de jongen naar het pad. Ze stopte even en keerde haar hoofd naar de jongen. Ze keek hem strak, bijna streng aan.
Heel langzaam zei de vrouw: ,Als iedereen nou eens geloofde zoals jij’. Ze glimlachte weer: ,Dat zou mooi zijn’.
Ze zei gedag en liep rustig verder. De jongen keek haar nog lang na, twijfelend over de afscheidswoorden van de vrouw. Nu pakte hij ook zijn spullen en liep de berg af in de richting waarin de non was gekomen.
Een mooi 1995 en kerstfeest, Hans Huijgen.
